Deuren en doorgangen
"Het paleis van de Zon stond op hoge zuilen (...), de dubbele deur blonk van lichtgevend zilver. De kunst overtrof het materiaal, want Mulciber had er de golven uitgebeiteld, die de aarde met een gordel omgeven, en de aardse bol en de hemel die zich boven deze bol uitstrekt."1
Ovidius' woorden openen onze ogen voor de poorten van het paleis van Phoebus, waar de wereld verschijnt in stralende pracht. Zal Gaia's innerlijk zich onthullen achter deze goddelijke façade?
Voorgesteld of echt, beschreven of gezien, de deur is zowel verbinding als plaats, tussen binnen en buiten. Ze opent fysieke en symbolische vlakten. Twee verschillende ruimtes ontmoeten elkaar daar. Als een ophaalbrug tussen twee plaatsen, twee werelden of twee stemmen, creëert of verhindert de deur een dialoog. En toch maakt haar aanwezigheid uitwisseling mogelijk.
Van antieke en middeleeuwse timpanen tot vorstelijke deuropeningen, en inclusief werken over het motief zelf, zoals Rodins La Porte de l'Enfer, Magritte's La Victoire en Gavin Turk's L'Âge d'Or in Peyrassol, echt of symbolisch, de deuropening heeft de eeuwen doorstaan. Sierlijk of eenvoudig, monumentaal of klein, architectonisch element of pure voorstelling, de deur is zowel een drager als een onderwerp van creatie. Ze geeft toegang, laat binnen of buiten, onthult of verbergt naar believen. Haar eigenlijke functie is om doorgang te verlenen. Ze maakt het mogelijk en belichaamt het.
Nu, in de doorgang is de trede. De deur is gemaakt van treden. De voetstappen van wezens of de voetstappen van de deur, de deur wordt vervuld in de voetstappen die er doorheen gaan. Of in de blik die er doorheen gaat. De blik lijkt dan een deur als alle andere, die open of dicht gaat volgens de beelden.
Persephone is teruggekeerd uit het rijk van de schaduwen en brengt de lente terug: laten we met haar door de deur gaan en onze blik op het licht richten!
Mahault de Raymond-Cahuzac
1 Ovidius, De metamorfosen, Boek II, 21-50, Editions Gallimard, 1992, p.72